Het Paasfeest ligt alweer achter ons, een feest zó groots dat we er maar liefst vijftig dagen voor uittrekken om het te vieren, tot en met vandaag: het hoogfeest van Pinksteren.

Ons Paasfeest kent zijn parallel in het joodse Pesach, dat is bekend. Verrijzenis, bevrijding uit de dood versus bevrijding van het volk Israël uit het slavenhuis Egypte. Zo ook ligt de voorloper van ons Pinksteren, en daarmee ook die periode van vijftig dagen, verankerd in de joodse traditie, en wel in de Mozaïsche wetten die aan het volk Israël werden gegeven na de uittocht uit Egypte. De uittocht wordt gevierd op Pesach, en op de vijftigste dag van Pesach – zo staat in het boek Leviticus – moeten bij wijze van afsluiting van het feest nieuwe offers voor God worden gebracht, de zogeheten ‘eerstelingen’ van de graanoogst en het vee. Deze afsluiting van Pesach wordt het Wekenfeest genoemd, of, in het Hebreeuws: Sjavoeot. Analoog aan de oorspronkelijke joodse betekenis worden in onze eigen, christelijke traditie de eerste nieuwe bekeerlingen op Pinksteren als ‘eerstelingen van de oogst’ toegevoegd aan de eerste christengemeente.

Pasen en Pesach, Pinksteren en Sjavoeot, de eerste bekeerlingen gezien als ‘eerstelingen van de oogst’… Prachtige parallellen die niet beperkt blijven tot een ver verleden! Want de oogst gaat voort, de gemeenschap rondom Christus groeit, dóór de werking van de Geest. Ook wij zijn, hoewel niet als eerstelingen, door het ontvangen van Gods Geest bij onze doop toegevoegd aan de gemeenschap rondom Christus. Maar met die eenmalige gebeurtenis is het verhaal niet af. Onze toewijding aan Christus behoeft voortdurende hernieuwing. Anders gezegd: het sacrament van de doop vindt pas zijn voltooiing aan het eind van ons leven. Tot die tijd moeten wij ons blijven laven aan de Bron, moeten wij ons blijven laten inspireren door Gods Geest.

Jezus zegt in het evangelie van vandaag: ‘Als gij mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden. Dan zal de Vader u op mijn gebed een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven’. Door Jezus lief te hebben, stellen wij ons dus open voor de heilige Geest. En Jezus liefhebben is: doen wat Hij van ons verlangt, elkaar liefhebben, zorg dragen voor elkaar, in het bijzonder voor armen en zwakken, je inzetten voor gerechtigheid en vrede, in het klein, in onze eigen leefomgeving, en zo mogelijk ook in het groot, wereldwijd. Naast alle ellende die wij dagelijks horen, gebeurt er ook heel veel goeds. Dat zijn de zogeheten vruchten van de Geest. De hele Schrift spreekt hiervan, zowel het Oude als het Nieuwe Testament.

In de periode ná Pinksteren die nu aanbreekt, de ‘gewone’ tijd door het jaar, is het zaak de vreugde van Pasen en het vuur van Pinksteren niet te verliezen, maar deze te hernieuwen van dag tot dag. Hoe houden wij dat vuur van het begin brandend?

Welnu, in de geschiedenis zijn er tallozen geweest die ons hierbij tot voorbeeld kunnen dienen. Laat ik er één noemen: de heilige Norbertus, onze ordestichter wiens jaarfeest wij morgen in de abdij zullen vieren. Hij was een man van groot geloof die uit de heilige Schrift zijn inspiratie putte, en die de Regel van Augustinus, en daarmee de eerste christengemeente zoals beschreven in de Handelingen van de Apostelen tot leidraad nam voor de leefwijze in zijn kloosterstichtingen.

Een man van groot geloof. Dat betekent ook dat hij – zich bewust van zijn eigen onvermogen – enorme geestdrift en daadkracht wist te ontlenen aan de heilige Geest die in hem werkzaam was.

Door te zien met de ogen van het geloof zullen wij de werken van de Geest herkennen in de ander, en zullen ook wij dóór die Geest die werken kunnen doen tot opbouw van de gemeenschap rondom Christus. Elke dag opnieuw zijn wij geroepen om te zijn als gaven van de oogst aan God. Zo mogen wij staan in de lijn van leerlingen van Jezus die teruggaat op de éérstelingen van de oogst, de eerste bekeerlingen na Jezus’ Hemelvaart op Pinksteren.

Door: pastor Frank van Roermund o.praem.

Lezingen: Handelingen 2,1-11; Johannes 14,15-16.23b-26