Preek op zondag 27 maart 2022

In Lucas hoofdstuk 15 vertelt Jezus drie parabels achter elkaar in reactie op de intolerante houding bij de Farizeeën en Schriftgeleerden ten aanzien van tollenaars en zondaars. Jezus vergelijkt hen – die verschoppelingen – met een verloren schaap waarover meer vreugde is wanneer het wordt teruggevonden dan over 99 makke schapen die altijd in de pas zijn blijven lopen. Daarna met een kleine som geld, die worden teruggevonden. En ten slotte wordt van de verschoppeling gezegd, dat hij is als een verloren gewaande zoon die na jaren van flierefluiten terugkeert naar zijn familie, en zo méér vreugde oproept dan een oudere broer die ál die tijd steeds keurig was thuisgebleven.

Van die drie vind ik de parabel van de Verloren Zoon ontroerend. Ik denk hierbij onwillekeurig aan dat práchtige schilderij van Rembrandt… U kent het vast. Met vaderlijke én moederlijke zorg ontvangt de vader zijn teruggekeerde, verloren gewaande zoon… Kijk maar goed: die rechterhand is onmiskenbaar een vrouwenhand en de linker een mannenhand. Deze zoon is in lompen gehuld en knielt nederig neer voor zijn vader. Zijn oudere broer – die al die tijd braaf was thuisgebleven – staat terzijde, rechtop, in mooie kleren en kijkt zwijgend toe…

Een ontroerend tafereel. Ja. Maar… we moeten – denk ik – niet vertederd blijven hangen bij de tranen van geluk die dit verhaal oproept. Want dan zouden we wel eens voorbij kunnen gaan aan de nogal confronterende boodschap die er wellicht ook voor óns in verborgen ligt…

Immers, is onze natuurlijke reactie niet, dat wij ons in eerste instantie zouden willen identificeren met die oudste zoon die zich steeds verantwoordelijk heeft opgesteld naar zijn familie? Maar wat dan met zijn reactie, zijn verontwaardiging bij de terugkomst van zijn jongere broer? Zouden wij onszelf willen identificeren met diens onbarmhartigheid? Zouden ook wij verontwaardigd zijn als verschoppelingen zich bekeren en barmhartigheid ontvangen? Willen we dat?

En zou iemand van ons zich willen identificeren met die jóngste zoon die zich onbezonnen en onverantwoordelijk opstelt jegens zijn familie? Die de helft van het familiebedrijf opeist en de opbrengst vervolgens verkwanselt aan lichtzinnige zaken? Ik denk toch van niet…

Ik zou me kunnen voorstellen dat wij best graag zouden willen gaan staan in de rol van die vader. Hij is immers een lichtend voorbeeld van barmhartigheid. Maar… zouden wij het kunnen opbrengen om – net als hij – zonder mopperen aan onze twee zonen te geven waar zij recht op hebben, met respect voor ieders eigen verantwoordelijkheid, en dan met lede ogen moeten aanzien hoe dit volledig uit de hand loopt?

Zo zien we, dat welke rol we onszelf ook toedichten, er altijd iets ongerijmds opdoemt, iets waar we eigenlijk geen raad mee weten.

Eén mogelijke rol heb ik nog niet genoemd. Die van de Farizeeën en Schriftgeleerden… Zouden ook wij misschien soms morrend en afwijzend toekijken als barmhartigheid wordt betoond aan verschoppelingen die zich aan God noch gebod hebben gestoord maar die zich op enig moment bekeren tot een deugdzaam leven? Zouden wij het kunnen opbrengen om hier liefdevol tegenover te staan? Zijn wij altijd even tolerant voor eenieder zónder onderscheid?

Gewetensvragen dus te over in dit verhaal. Vragen die ons tot nadenken aanzetten. In elk geval is duidelijk, dat de barmhartigheid van God geen grenzen kent – wat dát wil Jezus ons hier duidelijk maken. Zo barmhartig zijn als God lijkt voor ons, onbeholpen mensen, welhaast ónhaalbaar. Maar we kunnen er wél naar streven. Een opdracht aan ons ten aanzien van de verschoppelingen van ónze tijd in déze maatschappij.

Pastor Frank van Roermund o.praem.

4e zondag van de Veertigdagentijd, jaar C

Lezingen: Jozua 5-9a. 10-12 ; Lucas 15,1- 3.11- 32