Zoals wel vaker, is Jezus met zijn lessen kort en krachtig en enigszins verontrustend: verkoop je bezittingen, verwerf schatten in de hemel, en wees waakzaam, want de Mensenzoon komt ónverwacht! Als Petrus vraagt of dit ook voor hem en de andere leerlingen geldt, antwoordt Jezus ontwijkend met een tegenvraag… Niet erg geruststellend allemaal.

De onrust die dit alles oproept heeft te maken met de spanning tussen weten en geloven, én met een onbehaaglijk gevoel dat de tijd dringt. Om bij het eerste te beginnen: wij worden in de Schrift keer op keer opgeroepen te geloven in wat onzichtbaar is en ongrijpbaar. Vandaag zijn dat de zogeheten schatten in de hemel. Maar wat zijn dat? Zijn dat geen gedachtespinsels? Zijn dat niet onze onuitgesproken angsten en onzekerheden? Verlangen wij niet veel liever tástbare schatten? Wij zoeken nu eenmaal zekerheden. Wij moderne mensen willen eerst zien en dan geloven.

Ten tweede is daar dat onbehaaglijk gevoel dat Jezus oproept dat de tijd dringt. Wees waakzaam! De Mensenzoon komt ónverwacht! Pas op!… Maar waarover spreekt Hij eigenlijk? Moeten wij dan bang zijn voor dat moment? Kennelijk moeten wij voortdurend klaar staan. En zo niet, wat staat ons dan te wachten?

De onrust bij Petrus wordt niet weggenomen door diens vraag aan Jezus. Integendeel. Jezus geeft geen antwoord maar laat Petrus worstelen met de tegenvraag: ‘Wie zou die trouwe en verstandige beheerder wel zijn die de Heer over zijn dienstvolk zal aanstellen om hun op de gestelde tijd hun rantsoen koren te geven?’ Zal Petrus die vraag op zichzelf durven betrekken? Zal hij zich afvragen of híj wel zo’n trouwe en verstandige beheerder is?

Bij het horen van deze woorden voelen wíj ons waarschijnlijk niet direct aangesproken. Jezus richt zich immers tot Petrus. En ook de beelden sluiten niet direct aan bij ónze belevingswereld. Anders wordt het wanneer wij beseffen – en ik hoop dat dat zo is – dat Jezus zich eigenlijk ook tot óns richt. En dan weten we ineens héél goed wat er bedoeld wordt. Ieder van ons draagt immers – in meer of mindere mate – verantwoordelijkheid voor allerlei zaken en mensen. De één als bedrijfsleider voor zijn werknemers, de ander als overste over zijn medebroeders. De één als vader of moeder voor de opgroeiende kinderen, de ander voor het verzorgen van een dementerende ouder. En ga zo maar door.

Gelukkig degene – zegt Jezus nu – die zijn verantwoordelijkheid niet uit de weg gaat, en zorg draagt voor wie en wat aan hem is toevertrouwd. Dat is: je werknemers waarderen en stimuleren in hun inzet voor het bedrijf, je kinderen liefdevol opvoeden en weerbaar inleiden in een wereld die steeds harder wordt. Dat is: welzijn, broederschap en vriendschap bevorderen in je religieuze gemeenschap en nieuwe medebroeders met respect voor hun eigenheid ontvangen… Ook het tegendeel is glashelder: ‘knechten en dienstmeisjes slaan en je te buiten gaan aan spijs en drank’ is snel vertaald naar: als een bullebak omgaan met je personeel, je onderdompelen in een zelfgerichte genotscultuur en je opgroeiende kinderen aan hun lot overlaten, vriendschappen onder je medebroeders onder druk zetten, met machtsvertoon anderen intimideren en klein houden, enz. enz.

Alle góede dingen nu, het nemen van je verantwoordelijkheid en zorg dragen voor de mensen om je heen, zijn bijna zonder uitzondering zaken van het hart, onzichtbaar en ongrijpbaar, maar o zo reëel! Het zijn zaken die ons wérkelijk ter harte gaan, die niet getekend worden door de vluchtigheid van het moment, maar duurzaam zijn en van wezenlijk belang. Deze zaken nastreven is wat Jezus noemt: het verzamelen van schatten in de hemel.

We zullen móeten leren omgaan met die spanning tussen weten en geloven. En dat is wat anders dan ons erdoor te laten verontrusten. In de brief aan de Hebreeën – de tweede lezing in het boekje – staat het heel mooi: ‘Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen’. Geen drijfzand dus, maar vaste grond, net zozeer ons verstandelijk weten en redeneren vaste grond is voor alles wat wél zichtbaar is en tastbaar.

Dat andere punt, dat onbehaaglijk gevoel dat de tijd dringt om te doen wat ons te doen staat, ook dát hoeft ons niet te verontrusten, zolang wij ons maar als verantwoordelijke mensen opstellen en het grootste deel van onze tijd niet vergooien aan onbelangrijke zaken die uiteindelijk geen eeuwigheidswaarde hebben… Wie zó leeft, leeft waakzaam zoals Jezus dat van ons vraagt. Waakzaam maar niet ongerust. Want zo iemand hoeft de komst van de Mensenzoon niet te vrezen. Wannéér de Mensenzoon komt weet niemand, net als de dood in veel gevallen. En misschien valt dit wel samen.

Pastor Frank van Roermund o.praem.

Week 19 door het jaar, jaar C.

Lezingen: Wijsheid 18,6-9; (Hebreeën 11,1-2.8-12); Lucas 12,32-48